Misschien had het rappige busje al een voorteken moeten zijn van het nog troosteloze dorpje waar we oudejaarsavond op weg naar toe zijn. De lading van het negen-persoonsbusje bestaat uit twintig volwassenen en zes kinderen. Bagage wordt op het dak gebonden en niemand hoeft te staan. De deur valt er bijna uit en de rubber sponning heeft het al opgegeven. Meerdere gaten in het dak houden het een beetje luchtig in de bus. We maken plaats voor elkaar door allemaal uit te stappen als iemand op de plek van bestemming is aangekomen. De temperatuur loopt op.
Op het vertrekpunt van de veerboot liggen vandaag enorme netten uitgespreid op het gras bedekt met duizenden zilvervisjes. ‘Millionfish’ noemen de Oegandezen ze zelf. Kinderen en vrouwen gaan met bezems van takkenbossen over de netten en vegen de visjes alle kanten op om ze zo snel mogelijk te laten drogen. Kinderen verzamelen visjes die buiten de netten gevallen zijn in plastic zakjes en jagen geiten die over de netten lopen weg. Bootjes gevuld met jerrycans vol water meren weer af. Iemand biedt me een ’baby for free’ aan. Hoewel ze nog lacht, bekruipt me een triest gevoel.
De zon staat al hoog aan de hemel als we het sein krijgen dat er voldoende mensen zijn om de ferry kano te laten varen. De kano wordt naar buiten geboomd en de motor start. We varen tussen kleine kano’s , waarin de hele dag vrouwen jerrycans met water vullen. Het meer is als een spiegel waarin spierwitte wolken kijken of hun haar wel goed zit. Kinderen krijgen natte doeken aangereikt om over hun verhitte koppies te leggen en stoppen met huilen.
De over aan de overkant is bezaaid met hutjes. Brullend wegvluchtende peuters bij onze aanblik. Alsof witte Piet is aangekomen die kinderen in zijn rugzak meeneemt naar Nederland. Het is nog even afzien tijdens Zien een bodaritje met z’n drieën achterop. Melle zit op het randje en wordt niet blij van de kuilen waar we doorheen denderen. Passeren een boda met een doodskist achter op en ik doe mijn ogen maar even dicht als we over smalle randjes tussen diepe kuilen door balanceren. Fietsers en wandelaars zijn tweederangs en moeten al dan niet met een sprintje plaatsmaken.
Bukongo laat een beeld zien van armoedige, versleten hutjes, kinderen in lompen en overal de doordringende lucht van vis die werkelijk overal ligt te drogen. Dronken Oegandezen proberen met dubbele tong een praatje te maken. Vissers maken zich op voor de nacht. Vrouwen dragen grote stormlantaarns netten en bossen papyrus als matras aan boord. Zakjes water of misschien wel Oeganda whisky en driehoekige houten fuiken waarvan we het gebruik nog niet snappen. Even voor het donker invalt peddelen tientallen kano’s het meer op.
We kopen nog wat groenten en zorgen ervoor dat het donker in ons guesthouse is. Chique woord voor een kamer met een bed en een bak water waarbij we ons kunnen wassen. Alle kamers, net cellen, hebben stalen deuren die driedubbel op slot kunnen. Via een kijkluikje kun je ook van buitenaf de grendels aan de binnenkant wegschuiven.. Over de wc treed ik maar niet in detail. Deze overnachting kost ook maar twee euro. Tot diep in de nacht klinkt de beat van een drum en is er luid gezang. Schijnsel van zaklampen passeren ons raam in het donker. Het voelt unheimisch. Pas heel laat val ik in slaap op de ‘alert stand’.


