Nadat we een ochtend hike langs wat watervallen langs de Tanzaniaanse grens hebben gedaan, vertrekken we uiteindelijk rond een uurtje of 1. We willen onder Amboseli National Park langsgaan naar Namanga. We mogen niet op onze motoren door het park en we willen de park fees eigenlijk ook niet betalen. Volgens google maps kunnen we er niet langs zonder Illegaal de grens naar Tanzania over te steken maar volgens de Masai is er een pad, dus dan is het waar.
Terwijl we rijden hebben we Mount Kilimanjaro steeds recht voor ons, dat kan niet want dan rijden we recht op het park én recht op de Tanzaniaanse grens af. Een van de belgen, Seba, slaat rechts af, er is geen pad, enkel Savanne. Ik twijfel, zouden deze belgen nog beter in verdwalen zijn dan ik? Nee natuurlijk niet! Ik ga terug naar de 3e versnelling en knik instemmend als Seba over het geluid van de motoren heen roept dat mt. Kilimanjaro links van ons moet blijven. Giraffes en zebra’s springen op als ze 3 muzungus door het savanne gras zien ploeteren. Na een half uur ploeteren lukt het niet meer. Het gras wordt te hoog en er liggen te veel stenen. Zelfs in de eerste versnelling heb ik mezelf al een paar keer ternauwernood van een lelijke valpartij moeten redden. Mijn schoenen zitten vol met zand en ik voel de krassen door mijn spijkerbroek op mijn benen zitten. We besluiten naar het oosten te rijden en zien electriciteitsmasten. Daar moet een weg zijn maar we kunnen er niet langs er ligt een heuvel voor ons bezaaid met rotsblokken. We discussiëren of we er links of rechts omheen moeten want we zien het einde niet. De andere Belg, Niels heeft het hoogste woord en we gaan er rechts omheen. Yes geluk, we hebben de weg gevonden maar het is nog niet de goede. 3 kilometer noordelijker ligt de goede weg dus we rijden tussen de koeien, zebra’s en giraffes weer de savanne in noordelijke richting in. Als de weg dichterbij komt en we midden tussen wilde beesten staan zien we inneens 2 safari autos langs rijden, allemaal toeristen uit het dak kijkend en foto’s makend. Fuckfuckfuck, we zijn het nationale park ingereden. Als rangers ons hier zien, hebben we een gigantisch probleem. Snel draaien we onze motoren en racen we terug. Ik ben benieuwd wat de toeristen gedacht moeten hebben toen ze 3 muzungus op motoren tussen alle wilde beesten op hun fotos zagen staan…
We besluiten het eerste pad richting het oosten te nemen. Eigenlijk kan dat niet want dan moeten we volgens de kaart via Tanzania maar goed, de masaai zeggen dat het kan dus dan kan het.
We racen over een konijnenpad richting het Oosten. Om de paar minuten verandert het pad in een zandbak en moet je al je talent inzetten om niet vol op je bek te gaan. Na een uur zijn we nauwelijks verder gekomen. Het is 4 uur, we hebben nog 2 uur licht. Terug kan niet, we moeten terug denk ik, maar ik kan niet accepteren dat de Belgen beter in verdwalen zijn dan ik. Dus zeg ik: We rijden nog 2 uur door en daarna vragen we aan een Masai huisje of we in het kippenhok mogen slapen. Iedereen is akkoord, we hebben geen reservebanden. Geen reserve fuel, geen tent, geen eten en nog 1 liter water in totaal. Dat moet genoeg zijn!
Een half uur later rijden we een klein Masai dorpje in. Kinderen schieten weg en mannen en vrouwen stoppen met hun werk. Terwijl ik wat te drinken probeer te vinden, proberen Niels en Seba hun Swahili in te zetten om een gids te vinden. Uiteindelijk wil iemand helpen en wordt er een oude roestige motor onder een kleedje achter een huis vandaan getoverd. 80 kilometer door de bush, nog anderhalf uur zon, we zijn er klaar voor….
De man racet weg. Mijn motor kan bijna niet harder en ik ben bang. Dit is pas mijn tweede dag op de motor. De wereld wordt donker en we zitten ineens in een zandstorm. De wind komt van achter dus wij racen door. 85 kilometer per uur tikt mijn teller. Ik zie de mannen voor me niet, nog 2 meter zicht en ik race door een maanlandschap, overal rotsblokken. 20 centimeter pad maar ik moet sneller want ik raak achterop. Plotseling houd het maanlandschap op en rijden we op nog brandende verkoolde savanne. Links zie ik door de zandstorm heen de silhouetten van een gigantische Baviaan, zag ik dat echt de… Fuck, met volle snelheid een berg zand ingereden. Ik rem uit alle macht en voel mezelf wegglijden. Uit alle macht trap ik mijn motor terug naar de eerste versnelling en geef ik gas. Mijn voeten zijn uit alle macht zich van de grond aan het afzetten en ik verlies de controle. Auw, mijn knie raakt de grond en een seconde lang heb ik een gesprek met mezelf van een minuut. “Als ik hier val en gewond raak ben ik uren bij de bewoonde wereld vandaan. Ik moet er af springen dan ben ik in ieder geval niet te gewond. NEE! Dat kan niet, straks is mijn motor kapot dan kan ik ook niet verder.” Na deze discussie met mezelf geef ik extra gas en sjees ik het zand uit. De rest is alweer een stuk verder en ik zet mijn motor aan mijn pijnlijke knie en voeten voelend weer in de hoogste versnelling. Alles is stof, we rijden de verbrande savanne uit en de normale savanne in. Het pad is zo breed als mijn wiel, links en recht ligt zand, 2 centimeter te veel een kant op en ik kan niks doen om mezelf te redden. Links ligt een dood dier, zie ik dat nou goed, iets is er van aan het eten. Ik denk aan de masai die een kwartier eerder lachend leeuwen gebaren maakte en zei dat we niet door konden rijd…. fuck ik kijk weer vooruit en zie onze gids en Seba ineens een gigantische stofwolk veroorzaken. Niels is er op af aan het racen en kan niet op tijd meer remmen en kletst ook zo een berg zand in. Hij kan niet snel genoeg meer remmen en hij kiest binnen een seconde voor de enige manier om niet vol op Sebas in te rijden: hij springt van zijn motor af. Door het opstuivende zand zie ik zijn motor over de kop vliegen en ligt hij naast de weg. Hij heeft de juiste keuze gemaakt. Hij is niet op Sebas gebotst, de motor is niet op hem gevallen en hij is niet op een steen geland. We kunnen door en racen door de prachtigste landschappen die ik ooit heb gezien, savannes veranderen in steenachtige maanlandschappen, in woestijnen en in brandende prairies. Nog nooit, maar dan ook echt nog nooit heb ik zo genoten van de prachtige diverse landschappen om me heen.
Na anderhalf uur en vele bijna valpartijen later hebben we het gered. We komen de bush uit en rijden een masaai marktje op waar mensen verbaasd opkijken. We bedanken onze gids en moeten nog een uurtje zelf over een stoffig zandpad doorrijden. Als we aankomen zijn we bruin van het stof, zitten we onder de blauwe plekken en schrammen en zijn we alle 3 uitgedroogd. De Belgen en de Nederlander kijken elkaar aan en begrijpen elkaar. “Tijd voor een koud pilsje.”
“Reizen is pas echt mooi als je niet weet of je aan gaat komen.” Zeg ik, de mannen knikken instemmend en nemen nog een slok.



